Elke kaas is weer anders van kleur en textuur, zowel van buiten als van binnen. Korsten van wit schimmelkazen kun je bijvoorbeeld wel eten, die van oudere hardere soorten niet omdat ze vaak met een antibioticum zijn ingestreken.

De Franse gewoonte om kaas voor het zoet dessert te serveren is eenvoudig ontstaan om de wijn van het hoofdgerecht op te maken.

Begin in ieder geval met de lichtste, romigste soort, gevolgd door geitenkaas en wit- of roodschimmelkazen en daarna de hardere (en oudere) soorten kazen. Blauwaderkazen moeten altijd als laatste worden gegeten, omdat ze het sterkst van smaak zijn. De smaakopbouw wordt zo optimaal en je blijft de verschillen proeven.

De kleur moet vooral afkomstig zijn van de kazen en niet van de tros druiven of ander fruit. Serveer de kazen in verschillende vormen. Dit ziet er appetijtelijker uit. Serveer er verschillende soorten brood bij en eventueel druiven, gedroogde vruchten en noten. Crackers verdoezelen vaak de textuur van de kaas en zijn bovendien vaak zout. Neem liever vers, knapperig stokbrood. Vijgen- of ander vruchten brood is ook lekker en past vooral goed bij kazen hoog op smaak. Kaas is op kamertemperatuur het lekkerst; verse kaas heeft minimaal een halfuur nodig heeft om op temperatuur te komen.

Meer kaasetiquette lees dan hier een oudere blog.

bron: oa Smulweb